de begrippen
bovenlijk = de bovenkant van een zeil
voorlijk = de voorkant van een zeil
onderlijk = de onderkant van een zeil
achterlijk = de achterkant van een zeil
rechte diepte = de lengte in het achterlijk zonder nokop of schootneer
schootsnede = een lijn vanuit de halshoek die haaks op het achterlijk uitloopt
schootneer = een lengte vanuit  het snijpunt schootsnede  in het achterlijk tot aan de schoothoek
schoot op = een lengte in het achterlijk vanuit het snijpunt grootste breedte/achterlijk  tot aan de schoothoek (dit is gebruikelijk bij kluivers)
grootste breedte = gelijk aan de schootsnede
de noksnede = een lijn vanuit de rakhoek haaks door het achterlijk snijdend
nok op = de lengte vanaf dit punt van de noksnede tot aan de nokhoek
kleed = de baan doek
gilling =een lengte langs een kant van een kleed gemeten die als hij haaks word overgehaald naar de andere kant van dat kleed een schuine verbindingslijn geeft
naad = de overlapping van twee kleden waar de verbinding word gemaakt
zoom = de brede invouw langs de zijkant van een kleed
inslag = de smalle invouw langs een gesneden kleed
broek = de ronding aan de onderkant van een zeil
kardeel = een streng uit een touw
grommer =  een ring van een kardeel,wat drie keer om zichzelf heen is gedraaid
trekker = een plat gevlochten touw ter versteveging in een hoek of op een rif  genaaid
x kleed = het keerkleed,kleed in de broek van een zeil wat de zelfde gilling heeft als in de onzuivere
                        berekening van een zeil
lijketouw = een rechtsom stevig en langgeslagen touw
zeilbestek = een tabel met maten van de voor en achter kant lengte,s en gillingen
brede naad = een verbreding van de normale breedte om de 'bolling' in het zeil te plaatsen
langs getuigd = zeilen die in de lengteas van een schip gehesen worden
dwars getuigd = zeilen die haaks op de lengteas van een schip gehesen worden
las op de schoot = een naad die vanuit de schoothoek haaks in het voorlijk eindigt